Verwerking is als een ui. Laagje voor laagje kom je dichter bij de kern, af en toe met een betraand gezicht. Zo werkt het in ieder geval bij fotograaf en schrijver To Huidekoper (35), die een aantal jaar geleden kampte met een eetstoornis. Voor een documentair project in opdracht van de Fotoacademie Amsterdam trok ze een jaar lang op met de 22-jarige Fenna Kok. Zij lijdt sinds haar zestiende aan anorexia.

Waarom kiezen? Een paar jaar terug besloot To Huidekoper werk te maken van haar beide passies: fotograferen én schrijven. Dat was niet zonder reden: ze was herstellende van een eetstoornis en een burn-out, wilde alleen nog dingen doen waar ze energie van kreeg. Dat betekende: niet opnieuw terugvallen in een baan die haar eigenlijk niet paste, maar starten met een opleiding aan de fotoacademie. En weg van het strenge sportregime en zelfopgelegde verbod op gluten, lactose en koolhydraten. Niet meer geven, geven, geven. Voor zichzelf leven. En voor Keke, haar pasgeboren dochter.

To: “De eetstoornis heeft me lange tijd in haar greep gehouden. Ze voelde op een vreemde manier vertrouwd. Op zich niet vreemd; mijn moeder had er ook een. Toen Keke, die nu twee is, werd geboren maakte dat me zielsgelukkig en tegelijkertijd doodsbang: hoe zorg ik dat zij geen eetstoornis krijgt, als ze later groot is? Heb ik daar überhaupt invloed op?”

Naakt voor de spiegel
Voor een documentair project in opdracht van de Fotoacademie Amsterdam ging To op zoek naar antwoorden om zo haar dochter te kunnen behoeden. Ze pakte het groots aan: ze filmde zichzelf, naakt voor de spiegel. Of eigenlijk de moeilijke gezichtsuitdrukkingen die haar naaktheid teweeg bracht. Ze interviewde haar moeder en haar zussen, bezocht ggz-instellingen waar ze meiden met een eetstoornis bevroeg. En ze leerde Fenna kennen via Weet, vereniging rond eetstoornissen.  
Fenna: “Toen To me benaderde voor haar fotoproject, heb ik er even over moeten nadenken. Ik vond het spannend, maar wilde haar ook graag helpen. We hebben eerst een paar keer koffie gedronken, gekletst. Deden het rustig aan. Er ontstond langzaam een soort vriendschap. In het begin hadden we het niet eens per se over mijn eetstoornis, die op dat moment nog vers was; ik was net ontslagen uit het ziekenhuis.”

To: “We hebben iets moois opgebouwd, zijn close geworden. Maar de anorexia verafschuw ik. Soms vind ik het moeilijk te pijlen met wie ik spreek: met Fenna of met haar anorexia. Ik ben iemand van pieken en dalen, voel veel. Dat maakte het zo nu en dan best pittig. Ik herkende veel van mezelf in Fenna. Confronterend, want ik dacht dat ik mijn eetstoornis allang had verwerkt. De ziekte komt dan ineens weer dichterbij.” 

Fenna: “Het project heeft mijn ogen geopend. Net als veel anorexiapatiënten had en heb ik een vervormd zelfbeeld. Wanneer ik in de spiegel keek, zag ik iemand met een ‘normaal’ gewicht. Maar toen ik die foto’s zag, realiseerde ik me dat ik lichter was dan veel andere mensen in mijn omgeving. Natuurlijk had ik mezelf al wel vaker op foto’s gezien, maar deze draaiden helemaal om mij. Er was niks anders om naar te kijken, dus ik moest wel.
Ik heb er gemengde gevoelens bij; ik vind ze mooi, maar werd ook een beetje stil toen ik de foto’s voor het eerst zag. Op de eerste die ik onder ogen kreeg, droeg ik een bijzondere jurk en opvallende make-up. Die vind ik prachtig en heb ik gedeeld op mijn Instagram met fijne reacties als gevolg. Maar er zijn ook foto’s waar ik minder kleding draag. Daarnaar kijken vind ik lastiger. Die beelden zou ik minder snel met veel anderen delen.”  

To: “Ik hoop dat ik heb kunnen helpen, iets heb weten te raken in dat hoofdje. Volgens mij was de aandacht die ik als fotograaf kon geven ook wel fijn. Als je zo ziek bent, kun je op een gegeven moment niet veel meer dan thuiszitten. Het gevecht dat je als eetstoornispatiënt in je hoofd voert, is hartverscheurend. Dat merkte ik ook bij Fenna. Ze was bikkel-, bikkelhard voor zichzelf. Legde de lat zó hoog.”

Alles is familie
Het is nu ongeveer een jaar geleden dat To en Fenna het project afrondden. En twee jaar dat zij elkaar ontmoetten. Er is in de tussentijd best wat veranderd: To bevalt bijna van haar tweede kindje en Fenna is na een lange pauze begonnen met een studie Kunstgeschiedenis aan de Universiteit van Amsterdam (UvA).

Fenna: “Ik voel me beter dan vorig jaar rond deze tijd. Naar een kliniek ga ik niet meer, bij een psychiater kom ik nog wel. Ik heb nog steeds moeite met de gedachtes die ronddwalen in mijn hoofd, maar het lukt me steeds beter om die onder controle te krijgen. En om aan te komen, al is het nog niet veel. Ik kan niet anders; ik wil studeren, veel van de wereld zien, genieten, meedoen met mijn leeftijdsgenoten, hobby’s als volleybal en schilderen zonder moeite kunnen uitoefenen. Dat motiveert me. Om dat allemaal te kunnen, moet ik gezond zijn. En dat word ik alleen als er kilo’s bijkomen.
Ook wil ik graag ongesteld worden. Ik weet nog niet of ik kinderen wil, maar ik hoop in ieder geval de mogelijkheid te krijgen. Mijn humeur is ook stukken beter, merk ik. Mensen zeggen steeds vaker: ‘Wat zie je er vrolijk en stralend uit!’ Dat vind ik een fijn compliment, ik heb liever dat mensen iets zeggen over mijn uitstraling dan over mijn uiterlijk. Ik vind het namelijk heel belangrijk om te benadrukken dat mijn eetstoornis niet over gewicht gaat, maar over wat er in mijn hoofd gebeurt. Ik zou het fijn vinden als mensen daar meer aandacht voor krijgen.”

To: “Fenna, zou je dit eigenlijk nog eens doen, een jaar lang met mij optrekken?”

Fenna: “Absoluut, ondanks dat we in een totaal andere fase van ons leven zitten, konden we goed praten, toch?”

To knikt instemmend.

Fenna: “En To, heb jij een antwoord gevonden op de vraag waarmee je dit project begon?”

To: “Nu ik terugkijk, denk ik dat ik het antwoord toen eigenlijk al wist. Het ligt namelijk best voor de hand. Veiligheid, geborgenheid en liefde zijn essentieel voor een opgroeiend kind. Voor iedereen eigenlijk. Dat is wat ik als moeder kan geven. Maar ik besef me nu ook dat ik mijn kinderen niet voor alles kan behoeden. Maar harmonie in huis, een stabiele basis, dragen absoluut bij aan hoe je gevormd wordt. Of toch in ieder geval hoe je omgaat met tegenslagen. Zo’n basis miste ik zelf een beetje.”

Fenna: “Daar kan ik me wel in vinden. Ik vind dat ik veel mazzel heb met mijn familie. Zij hebben zoveel begrip voor mijn situatie, helpen waar ze kunnen. Maar ze laten me ook inzien dat mijn gezondheid mijn verantwoordelijkheid is. Dat helpt me.”