In Zeeland lukt het beter dan elders in het land: wekelijkse muzieklessen op de basisschool. Waarom loopt die provincie voorop?

Zomaar een donderdagochtend in Sint-Annaland. Het is allesbehalve stil in de gangen van basisschool De Casembroot. Uit het lokaal van de kleuters klinkt luid gegiechel, de juf leert hun het verschil tussen hoge en lage tonen. Een paar deuren verder blazen de leerlingen van groep 4 uit alle macht op hun blokfluit en een verdieping hoger repeteert de orkestklas.

Dit is geen uitzonderlijk tafereel. Op De Casembroot is muziekles al jaren vaste prik. Dat is belangrijk, vindt directeur Janet Hakkeling. Het verbroedert, merkt ze. “Leerlingen die je op het schoolplein nooit samen ziet voetballen of touwtje springen, staan tijdens de muziekles naast elkaar. De school is er een stuk gezelliger én rustiger op geworden sinds we zijn gestart met structurele muzieklessen.”

Muziek is belangrijk in Zeeland; in 2015 verzorgde 40 procent van de basisscholen een wekelijkse muziekles in de groepen 1 tot en met 8. De rest van het land steekt daar met 7 procent schril tegen af. Volgens de koepel voor basisonderwijs, de PO-raad, is dat te wijten aan een gebrek aan tijd, kennis en geld op de scholen. Maar waar de overheid nu pas aan de bel trekt – minister Jet Bussemaker en cultuurmecenas Joop van den Ende stellen samen 50 miljoen beschikbaar – probeert Zeeland de muziekles al sinds 2010 terug te brengen in het vaste curriculum.

De Gouden Driehoek
Om dat voor elkaar te krijgen, werken steeds meer basisscholen samen met de Zeeuwse Muziekschool, een instituut dat actief is in bijna alle Zeeuwse gemeenten én samenwerkt met lokale muziekverenigingen. De Gouden Driehoek noemen ze dit samenwerkingsverband. De Zeeuwse Muziekschool levert kennis die veel groepsleerkrachten (nog) niet hebben. De verenigingen, die vooral in kleine kernen heel belangrijk zijn, zorgen voor instrumenten en vrijwilligers in de klas.

“Door op deze manier te werken, houden we elkaar in stand”, zegt Jack Westdorp van de plaatselijke fanfare Accelerando. Sinds zijn vereniging de orkestklas op De Casembroot verzorgt, heeft die er een hoop jonge leden bij gekregen. In dit dorp hebben veel kinderen meerdere hobby’s. Accelerando is inmiddels niet meer de eerste die afvalt, als het te veel wordt. Dat is weleens anders geweest en daar is Westdorp trots op. “Op school mogen de leerlingen het uitproberen en als ze het leuk vinden om daarna ook nog met muziek bezig te zijn, schrijven ze zich in. Voor ons heel belangrijk, want ook wij hebben last van vergrijzing.”

De fanfare zorgt op haar beurt dat er instrumenten in de klassen aanwezig zijn, daar hoeft de school dus niet voor te betalen. Hetzelfde geldt voor vrijwilligers, want een orkestklas begeleiden is niet te doen voor één docent. De enige kostenpost is de dirigent die Accelerando elke donderdag laat invliegen.

Het aandeel van de Zeeuwse Muziekschool zit ‘m in vakkennis. Speciaal opgeleide docenten leren de groepsleerkrachten hoe zij een goede muziekles verzorgen. Daarna kunnen de juffen en meesters zelf aan de slag. Een eenmalige investering moet komen uit de schoolpot, maar die heeft Hakkeling er zeker voor over. Muziek motiveert mensen, daar is ze van overtuigd. “Het is niet voor niets dat we nog steeds 180 leerlingen hebben. Dat is veel voor een openbare dorpsschool in de provincie.”

Wie de Zeeuwse situatie bekijkt, vraagt zich wellicht af of dit niet ook in de andere provincies zou kunnen werken. Of functioneert een verbond tussen een regionaal instituut, verenigingen én basisscholen alleen in het dunbevolkte Zeeland? Hakkeling twijfelt. Waar ze wel van overtuigd is, is dat het alleen kan werken als alle partijen het belang van muziek in de klas inzien. Anders is het niet te doen. Ook de ouders worden zo veel mogelijk betrokken. Hakkeling wijst naar het gymlokaal. Een groepje vaders en moeders zingt er liedjes met hun kinderen.

Zoals Petra Reijngoud, die naast haar achtjarige dochter Roos zit. Ze is blij dat de school zoveel aandacht aan muziek schenkt. “Het maakt mijn dochter vrolijk, ze neemt dat mee naar huis.”

Jan Hut, directeur van de Zeeuwse Muziekschool, wil dat de muziekles weer net zo belangrijk wordt als taal en rekenen. Hij blijft dan ook ambitieus. “Het is mooi dat we nu 40 procent bereiken, maar dat betekent tegelijkertijd dat het merendeel nog niet onder de pannen is.”

Zijn missie is om de komende vijf jaar 80 procent van de Zeeuwse basisscholen aan structureel muziekonderwijs te helpen. Geen gemakkelijke opgave: net als in de rest van het land staan de cultuurbudgetten in Zeeland onder druk. Er is een gemeenschappelijke regeling -zie kader – maar bezuinigingen zorgen ervoor dat dit subsidiebedrag lager wordt. En het is al kunst- en vliegwerk: de school harkt elk jaar een bedrag bij elkaar via plaatselijke fondsen om de opleiding van haar leerkrachten te kunnen betalen. Het standaardbudget voor cultuureducatie per leerling wil zij namelijk niet helemaal opmaken aan muziek.

Emoties
Subsidies, regelingen, budgetten: de leerlingen bekommeren zich er niet om. Ze vinden de muzieklessen simpelweg leuk. Marit (11): “Ik vind het fijn om samen te zingen en te lachen, het maakt me blij.” Ook Tesse (13) ziet het nut er wel van in: “Het is fijn om af en toe even wat anders te doen dan rekenen of taal. Als we muziek hebben gehad, is iedereen weer scherp. Wat ik ook erg fijn vind, is dat ik mijn emoties kwijt kan. Soms zit er zoveel in mijn hoofd, even heel hard zingen helpt dan goed.”

Zonder subsidie gaat het niet
De Zeeuwse Muziekschool haalt haar inkomsten uit bijdragen van basisscholen, maar die hebben nauwelijks iets te besteden. Daarom doet het instituut ook een beroep op landelijke fondsen. Het grootste deel komt echter uit een gemeenschappelijke regeling, speciaal voor muziekonderwijs.

Via de regeling, begeleid door de wethouders cultuur van de Zeeuwse gemeenten, betaalt iedere gemeente subsidie aan de Muziekschool – in 2015 was er in totaal 2.177.931 euro beschikbaar. Die kan daarmee op de basisscholen aan de slag.

De gemeenschappelijke regeling is al in 1955 in het leven geroepen. In een dunbevolkt gebied als Zeeland was, en is, het voor de meeste gemeenten niet te doen om een eigen muziekinstituut op te richten. Volgens muziekschooldirecteur Jan Hut is de regeling de belangrijkste reden dat zijn instituut kan blijven bestaan. “De meeste gemeenten vinden dit stukje cultuuronderwijs heel belangrijk, ze willen erin investeren. Hoe meer gemeenten meewerken, hoe gevarieerder ons aanbod.”

Het geld dat minister Bussemaker en Joop van den Ende beschikbaar stellen – 50 miljoen – is bedoeld om de komende vier jaar de muzikale deskundigheid van basisschoolleraren te vergroten. De animo is groot, liet het ministerie afgelopen week weten: 728 scholen hebben zich gemeld voor een bijdrage om vanaf komend schooljaar te starten met beter muziekonderwijs.